Inglese [noun]Olandese [noun] ▶grandfather [noun] My grandfather taught me how to fish.We visited my grandfather on Sunday. ▶opa [noun] Mijn opa heeft me geleerd hoe ik moet vissen.We hebben mijn opa op zondag bezocht. ▶pa [noun] My pa lives in Berlin.My grandfather taught me how to fish. ▶opa [noun] Mijn opa woont in Berlijn.Mijn opa heeft me geleerd hoe te vissen. ▶grandpa [noun] My grandpa taught me how to ride a bike.My grandpa is coming to dinner tonight. ▶opa [noun] Opa heeft mij geleerd om op de fiets te rijden.Opa komt vanavond eten. ▶gramps [noun] My gramps lives in the next town. ▶opa [noun] Mijn opa woont in het dorp ernaast. ▶granddaddy [noun] ▶opa [noun]