Engels [noun]Nederlands [noun]
unity [noun] |
eendracht [noun] |
|
unity [noun] The team showed unity when every player fought for the same goal. After weeks of debate, they finally reached unity on the new plan. |
eenheid [noun] Het team toonde eenheid toen elke speler vocht voor hetzelfde doel. Na weken discussie hebben ze uiteindelijk eenheid bereikt over het nieuwe plan. |
|
unity [noun] |
uniteit [noun] |