Nederlands [verb]Duits [verb] ▶oppoetsen [verb] Ze wil haar schoenen oppoetsen. ▶etw. aufpolieren [verb] Sie will ihre Schuhe aufpolieren. ▶oppoetsen [verb] Ze wil het oppervlak goed oppoetsen. ▶auspolieren [verb] Sie will die Oberfläche gründlich auspolieren. ▶oppoetsen [verb] ▶blankputzen [verb] ▶oppoetsen [verb] Ze wil de kamer oppoetsen. ▶aufputzen [verb] Sie will das Zimmer aufputzen.