Dutch [noun]German [noun]
schurk [noun] Noem hem een schurk, maar iedereen zag wat hij deed. Noem hem een schurk, maar iedereen heeft gezien wat hij deed. |
||
schurk [noun] |
Halunke [noun] |
schurk [noun] Noem hem een schurk, maar iedereen zag wat hij deed. Noem hem een schurk, maar iedereen heeft gezien wat hij deed. |
||
schurk [noun] |
Halunke [noun] |