German [verb]Dutch [verb] ▶werfen [verb] Er kann weit werfen. ▶werpen [verb] Hij kan ver werpen. ▶werfen [verb] Er versuchte, den Ball über den Zaun zu werfen. ▶gooien [verb] Hij probeerde de bal over het hek te gooien. ▶werfen [verb] ▶mikken [verb]